Begrafenis speech van Brord Ruigrok
Vriend van Peer
Peer Leegstra, hij brengt ons samen dit uur. Wij zijn rond zijn dode lichaam bijeen in leegte en gemis.
De afgelopen week heb ik het zo vaak tegen mezelf gemompeld: Peer dood, Peer dood? Niet te bevatten.
En zelfs toen ik hem thuis dood op bed zag liggen: Peer - dood? Wij snappen niks van de dood,
sowieso al niet, en zeker niet als iemand maar 63 mag worden, en na zo’n lijdensweg.
Ieder van jullie zal z’n eigen herinneringen hebben aan Peer. Herinneringen die vandaag nadrukkelijk
naar boven komen en die door die prachtige serie foto’s nog eens onderstreept worden.
U kent hem: Peer, hij was een doener, een harde werker: wat heeft hij niet gebouwd en verbouwd
in hun eigen huis en bij anderen, wat heeft hij niet gewerkt aan al die antieke kachels
waarin hij een deskundige was, wat heeft hij niet hard gelopen in die vele jaren, uitmondend
in het trainen van anderen om hard te lopen, wat heeft hij niet afgeskied met gezin en vrienden,
en altijd waren er weer nieuwe plannen.
Hij was een man die enorm kon genieten van lekker eten, van gezelschap, van vriendschappen, van de reizen die ze hebben gemaakt. Een relativerende man, eerst luisteren, niet meteen een oordeel over anderen klaar hebben. En natuurlijk de man van de humor, van de woordgrapjes, de zotte invallen. Eén van de vriendenkringen van Peer en Mike is de zgn. bende van acht: vier echtparen, die jaarlijks met elkaar fietsen en om de paar maanden met elkaar eten, en namens wie ik ook hier sta. Vriendschappen van al tientallen jaren.
De humor van Peer was bij die bende onverslaanbaar en onbetaalbaar, en leidde steevast tot onbedaarlijke lachbuien. Ik geef geen voorbeelden, je moet er eigenlijk bij geweest zijn. Maar echt: Peer had zo’n humor. Zelfs in die laatste weken van zijn leven was er soms nog een flakkering van die humor.
U weet hoe het gegaan is: zijn lichaam heeft het uiteindelijk opgegeven. De wil was er nog, de kracht niet meer. Hij is in een bizarre en raadselachtige lijdensweg terechtgekomen, die wel drie, vier jaar heeft geduurd. Het was een aaneenschakeling van doktoren, medicijnen, ziekenhuizen, waanzinnig zware operaties, revalidaties, goede zorg én medische missers, tegenslagen, onduidelijkheden, en alsmaar weer: hoop. “Ik zou er een heel dik boek over kunnen schrijven,” zei hij. En dat zou geen vrolijk boek zijn geworden.
Hij bleef hopen, ik denk ook uit angst om Mike en de kinderen en kleinkinderen los te moeten laten, om geen deel van het gezin meer te zijn. Die zorg en angst kwam ook voort uit trots, want hij was zo trots op jullie allemaal.
Hoe moeilijk is het dan ’t leven los te laten. Je vrouw en kinderen zullen doorgaan, en jij bent er niet bij. Je mag niet samen oud worden, je zult je kleinkinderen niet groot zien worden, niet van je pensioen genieten, niet werken aan al die plannen en verwachtingen die je nog hebt.
Hij bleef maar hopen, ja, en wíj bleven maar hopen en duimen en bidden en kaarsjes opsteken, opdat het toch nog ten goede zou kunnen keren. Maar het mocht niet zo zijn.
“Een mens te zijn op aarde”, schrijft Huub Oosterhuis, “een mens te zijn op aarde, is pijnlijk begenadigd zijn, en zoeken, nooit verzadigd zijn, is rusten in de aarde, als alles is volbracht.”
Voor Peer is het volbracht. Wij moeten hem uit handen geven. Wij snappen niet dat dit heeft moeten gebeuren, dat hem maar 63 jaren waren gegund. Dat is voor ons het onbegrip, het machteloze, maar ja, daar gáán wij mensen niet over. Wij, achterblijvers, zullen de draad wel weer oppakken. Natuurlijk. Maar het is niet meer hetzelfde.
We zijn bedroefd, ja, maar laten we tegelijk dankbaar zijn, dankbaar dat hij niet verder hoefde te lijden, en meer nog: dankbaar voor hem, voor zijn leven.
Laten we dankbaar zijn, dat hij en wij een stuk met elkaar opgelopen zijn in dit leven,
dat hij een - groter of kleiner – stuk van óns leven is geweest en
dat wij een – groter of kleiner – stuk van zíjn leven zijn geweest. Die band moeten we blijven koesteren.
“Alles heeft z’n tijd”, zegt het bijbelboek Prediker, “er is een tijd van geboren worden en een tijd om te sterven, een tijd om te wenen en te lachen, een tijd om te planten en te oogsten”, enzovoort.
Afgelopen zondag was het zíjn tijd, was zijn leven voltooid, hij moest het tot letterlijk de laatste zucht uitleven. Hij is heel zacht weggegleden, naar… naar waar dat weten wij niet. Hij wel. En we hopen dat het goed is. Intussen zullen wij met liefde aan hem blijven denken.
Rond het jaar 400 leefde bisschop Augustinus, een belangrijk kerkleraar. Er zijn veel teksten van hem bewaard gebleven. Over de dood zei hij dit:
De dood is niets.
Ik ben maar aan de andere kant.
Ik ben mezelf, jij bent jezelf.
Wat we waren voor elkaar, zijn we nog altijd.
Noem me zoals je me steeds genoemd hebt,
spreek tegen me, zoals weleer,
niet plechtig, niet triest.
Lach om wat ons samen heeft doen lachen.
Bid, glimlach,
denk aan mij, bid met mij,
Spreek mijn naam uit, thuis,
zoals je altijd gedaan hebt,
zonder zweem van droefheid.
Het leven is wat altijd geweest is,
de draad is niet gebroken.
Waarom zou ik uit je gedachten zijn?
Omdat je me niet meer ziet?
Neen, jij bent niet ver,
Net aan de andere kant van de weg.
Zie je, alles is goed,
Je zult mijn hart opnieuw ontdekken
en er de tederheid terugvinden,
zuiverder dan ooit.
Dus droog je tranen
en ween niet als je van me houdt.
Dat zei Augustinus, die ons na 1600 jaren nóg kan aanspreken, ons een hart onder de riem kan steken. Ween niet als je van me houdt. Maar natuurlijk wenen we vandaag wél, wij zijn ook maar mensen. Maar ik hoop en weet zeker dat onze droefheid van nu overvleugeld zal worden door de dierbare herinneringen die wij hebben aan Peer Leegstra.
|